Browser information:

This website uses CSS3 & HTML5. It is recommended to use a modern browser with at least the following version number:

  • Chrome 29.0
  • Edge 12.0
  • Explorer 11.0
  • Firefox 28.0
  • Safari 9.0
  • Opera 17.0

Problems? please contact me.

Als zonnepanelen aan het lichtnet moeten worden aangesloten dan is een netinverter nodig. Een netinverter lijkt op een omvormer maar heeft heel andere eigenschappen. Beide zetten een gelijkspanning om in een 230V wisselspanning. Maar een netinverter is een stroombron terwijl een omvormer een spanningsbron is. Een netinverter moet daarom aan een reeds voorhanden 230V~ net aangesloten worden. Een omvormer juist niet, al kan men met een omvormer wel zelf een 230V~ net maken. Een netinverter gedraagt zich als een stroombron: alle vermogen dat uit de panelen komt zal de netinverter proberen in het lichtnet te duwen. Om de stroombron te beveiligen moeten er in (of bij) een netinverter een spanningsbegrenzer zitten. Deze schakelt automatisch de netinverter uit indien de netspanning te hoog of te laag wordt. Zonder een 230V~ spanning aan de uitgang zal een netinverter dan ook niet werken. De netinverter synchroniseert ook de gegenereerde wisselspanning met de wisselspanning van het lichtnet. Dat wil zeggen dat wanneer de sinus van het lichtnet op zijn maximale waarde is, de sinus van de netinverter ook op zijn maximale waarde is. En deze beide blijven met elkaar in de pas lopen. Een netinverter zal altijd proberen om het vermogen dat aan de ingang wordt aangeboden in het aangesloten 230V~ net te forceren. Daardoor is de spanning aan de uitgang van een netinverter altijd iets hoger dan de spanning van het net. Dit is een belangrijk gegeven dat in het onderhoofdstuk 9.5 “Het Gebruik” nog aan de orde komt.

9.1 Verschillende soorten

Net als bij de acculaders zijn netinverters er in twee soorten: met en zonder MPPT. Maar in tegenstelling tot de acculaders is er hier een duidelijke voorkeur: gebruik altijd een netinverter met MPPT. Op die manier wordt het maximaal mogelijke vermogen uit de panelen gehaald. Types zonder MPPT zijn gelukkig vrijwel niet meer verkrijgbaar. Pas wel even op bij tweedehands apparaten.

MPPT-netinverters zijn er in twee uitvoeringen: met en zonder elektrolytische condensatoren. De levensduur van een netinverter lijdt net als zo veel andere elektronica aan het verouderingsprobleem van de elektrolytische condensators. Elektrolytische condensators hebben een levensduur van ca. 10 tot 15 jaar. Dit is dan ook de verwachte levensduur van een typische netinverter. Er zijn echter ook netinverters zonder deze condensators. Die halen een levensduur van meer dan 20 jaar. Dit verschil is uiteraard in de prijs terug te vinden. Tot nu toe lijken dit type netinverters (ook wel micro-inverters genoemd) zich te beperken tot de lagere vermogens waarbij er 1 micro-inverter per paneel wordt aangebracht (op de achterkant van het paneel zelf). Over de volle levensduur van de panelen gerekend zullen de kosten van beide types netinverters ongeveer gelijk zijn (stand oktober 2012).

9.2 Eigenschappen

Netinverters zijn de meest complexe apparaten in een zonnestroominstallatie. De hoeveelheid parameters die moeten worden afgewogen lijkt onuitputtelijk. Toch is ook een netinverter niet zo moeilijk te kiezen indien men duidelijk voor ogen houdt aan welke eisen hij moet voldoen. De belangrijkste eigenschappen van een netinverter zijn: vermogen, ingangsspanning en rendement.

9.2.1 Vermogen

Dit is samen met de ingangsspanning de belangrijkste eigenschap. Het vermogen van de netinverter moet gelijk of groter zijn dan het maximale vermogen van alle aangesloten zonnepanelen bij elkaar opgeteld.

Met bovenstaande regel zit men in ieder geval goed. Puur technisch gezien mag het vermogen van de netinverter net iets lager zijn wanneer de panelen onder een ongunstige hoek liggen en daarom nooit hun maximale vermogen zullen afgeven. Dit is echter lastig te bepalen en kan niet uit de gebruikelijke grafieken over het te verwachten rendement worden afgelezen. De panelen geven het maximale vermogen af wanneer de zon zich onder een hoek van 90 graden met de panelen bevind. Pas wanneer zeker is dat deze constellatie nooit zal optreden mag van bovenstaande regel afgeweken worden.

9.2.2 Ingangsspanning

Als men de specificatie van een netinverter bekijkt dan vindt men daarop een hele reeks spanningen vermeld. De belangrijkste en meest voorkomende zijn:

9_2_2-Ingangsspanning-tabel

Een voorbeeld:

De ingangsspanning van een netinverter staat aangegeven als een spanningsbereik. Bijvoorbeeld 50-500V. Dat wil zeggen dat de netinverter werkt bij ingangsspanningen tussen 50V en 500V.

De MPP-Tracker van een netinverter werkt in een gedeelte van het volledige ingangsspanning bereik, bijvoorbeeld 150-500V. In het bereik van 50-150V zal de netinverter dan wel werken, maar zonder de optimalisatie van de MPPT.

De minimale spanning van de netinverter is soms hoger dan de minimum spanning, bijvoorbeeld 70V. Wanneer de spanning van de panelen in de ochtend langzaam oploopt van (bijvoorbeeld) 0 naar 400V zal de netinverter zich pas inschakelen wanneer de spanning boven de 70V komt. Wanneer daarna de spanning terugvalt naar 50V zal de netinverter blijven werken tot deze beneden de 50V valt. (Hierdoor wordt verhindert dat de netinverter zich in een hoog tempo aan- en uitschakelt wanneer de ingangsspanning op het inschakel niveau blijft hangen.)

In dit voorbeeld werkt de MPPT tussen 150V en 500V. Maar dat wil niet zeggen dat de netinverter bij alle tussenliggende spanningen even goed werkt. Daarvoor moeten we ook de rendementsgrafiek bekijken. Vaak zien we dan dat het optimale rendement bereikt wordt wanneer de ingangsspanning ligt in een bereik van bijvoorbeeld 320-400V. De spanning met hoogste efficiëntie is dan bijvoorbeeld 380V.

Als het vermogen van een netinverter bijvoorbeeld 2.000W is, dan is het niet gezegd dat deze netinverter de 2.000W over zijn hele ingangsspanningsbereik van (in dit voorbeeld) 50-500V kan leveren. Vaak zal er een minimale spanning nodig zijn, bijvoorbeeld 200V. Dus pas als de panelen meer dan 200V genereren kan de netinverter de beloofde 2.000W aan vermogen omzetten. (Dit hangt samen met de ingangsstoom: 2.000W bij 50V is 40A, maar bij 200V nog maar 10A; als een netinverter maximaal 10A kan opnemen heeft hij minimaal 200V nodig om 2.000W te kunnen omzetten.)

9.2.3 Rendement

De MPPT-netinverters hebben vaak een rendement van boven de 90%, soms zelfs boven de 95%. Dat wil zeggen dat er van het aangeboden vermogen meer dan 95% ook daadwerkelijk aan het lichtnet wordt geleverd. Natuurlijk geldt “meer is beter”. Maar het heeft weinig zin om voor 1% extra rendement enkele honderden euro’s meer te betalen.

Rendementcijfers zijn een belangrijk gegeven. Fabrikanten proberen dan ook zo goed mogelijke waardes in hun folders en specificaties te laten zien. Dit voert er toe dat deze nummers niet allemaal met elkaar vergelijkbaar zijn. De “European Efficiency” (Euro efficiency) is een gestandaardiseerde rendementsnorm. Hierin wordt geprobeerd om het rendement van een netinverter over een gehele dag te middelen. Wanneer men rendementen met elkaar wil vergelijken is de euro-efficiency een betere keuze dan het maximale rendement.

Sommige fabrikanten geven ook het MPPT-rendement aan. Deze waarde kan men gerust vergeten. Het zal dicht tegen de 100% liggen en wordt alleen voor het advertentie-effect gebruikt. Het heeft geen zinvolle betekenis voor de gebruiker.

9.2.4 Eigenverbruik

Een netinverter verbruikt ook zelf energie. Dit valt uiteen in energieverbruik wanneer het apparaat werkt (deze is verwerkt in het rendement), energieverbruik in stand-by en energieverbruik ‘s nachts. Het spreekt voor zich dat “minder is beter”.

9.2.5 Uitgangsstroom

De uitgangsstroom is van belang bij vermogens groter dan 3500W. In Nederland hebben de meeste huishoudens een 16A aansluiting per groep. Dat wil zeggen: iedere groep is in de meterkast gezekerd met een 16A zekering. Meer stroom kan er niet doorheen, ongeacht de richting. Daarom kan er op 1 groep nooit meer dan 16A x 230V = 3680W aangesloten worden.

Er kunnen problemen ontstaan wanneer de lichtnetspanning laag is, bijvoorbeeld 207V. Dan kan er slechts 3300W teruggeleverd worden. (Zie ook onderhoofdstuk 12.5 “Maximale teruglevering per groep”.)

Er zijn ook huizen met een 25A aansluiting. Dit kan het geval zijn wanneer een vorige eigenaar zware machines gebruikte. Dan ligt de vermogensgrens iets hoger.

9.2.6 Beveiligingen

Een aantal beveiligingen moeten aanwezig zijn op elke netinverter:

  • Beveiliging tegen overbelasting. Dit zorgt er voor dat de netinverter niet meer vermogen uit de panelen haalt dan hij zelf aankan.
  • Beveiliging tegen oververhitting. In geval van onjuiste montage of extreme hitte schakelt de netinverter zichzelf uit wanneer de interne temperatuur te hoog wordt.
  • Beveiliging tegen uitval van het lichtnet (in het Engels ook wel “islanding” genoemd). Zonder een spanning aan de uitgang kan de netinverter niet werken. Erger nog: wanneer iemand het lichtnet afsluit om werkzaamheden te verrichten mag een netinverter geen spanning op het afgesloten net veroorzaken. Dat zou hoogst onveilig zijn.

Er zijn netinverters die niet zelf alle beveiligingen in zich hebben. Met name de beveiliging tegen ‘islanding’ kan nog wel eens ontbreken. Dan moeten er extra componenten gekocht worden om het systeem compleet te maken.

9.3 Extra functies

De volgende extra functies kan men soms aantreffen:

  • Bijwerken van software: dit wil zeggen dat de software van de netinverter kan worden aangepast. Dit kan handig zijn wanneer er achteraf door de fabrikant fouten ontdekt worden in het originele apparaat of wanneer er nieuwe software is die de prestaties verhoogt.
  • Meerdere MPPT-kanalen: sommige netinverters hebben 2 onafhankelijk van elkaar werkende MPPT-kanalen. Dat wil zeggen dat er twee strings van zonnepanelen kunnen worden aangesloten. Dit is handig wanneer de panelen niet allemaal onder dezelfde hoek liggen of wanneer er schaduwval is op een aantal panelen.
  • Data logger: zoals men wel zegt: meten is weten. Een datalogger houdt in dat de totale hoeveelheid energie die de netinverter levert wordt bijgehouden. Dit is vooral leuk om te weten maar kan ook gebruikt worden om de uitrichting van de panelen te verbeteren. Het kan niet gebruikt worden om de saldering van de energieleverancier te controleren. Wel kan deze meting nodig zijn om het eigen energieverbruik te meten. Deze bestaat uit het vermogen dat de netinverter geleverd heeft en de hoeveelheid energie die men uit het lichtnet heeft opgenomen. Wanneer men regelmatig (dagelijks) de productie controleert is het bovendien mogelijk om een “gevoel” te ontwikkelen hoeveel energie met welk type weer geproduceerd wordt. Eventuele problemen in de installatie kunnen zo sneller geconstateerd worden.

Dataloggers zijn er in verschillende soorten en maten: volledig ingebouwd, middels een seriële aansluiting, middels een internetaansluiting of ook wireless (WLAN). Zo zijn er netinverters die de productie bijhouden op een speciaal daarvoor ingerichte website (mits een internetverbinding voorhanden is).

9.4 Selectiecriteria

Technisch gezien is de mooiste oplossing één netinverter (micro-inverter, zonder elektrolytische condensators) per zonnepaneel. Dit heeft helaas ook de hoogste initiële kostprijs. Indien men panelen met een hoog vermogen installeert (meer dan 220Wp) is dit toch een overweging waard. Zowel vanwege de langere levensduur als ook de hogere redundantie en hogere opbrengst.

Goedkoper (ten minste op de korte termijn) is het om de zonnepanelen in groepen te verdelen (zogeheten strings) en elke string 1 netinverter toe te wijzen. Kleinere installaties bestaan dan uit slechts 1 string. Van een string moeten alle panelen dezelfde oriëntatie hebben en een gelijkaardige/gelijktijdige schaduwval. De panelen in een string worden alle in serie aangesloten.

De selectie van de netinverter wordt gedaan op het vermogen van de string en de gelijkspanning van de string. Daarna komen overige factoren aan bod zoals het rendement en de gewenste extra functies.

Het vermogen van een netinverter hoeft niet (veel) groter te zijn dan het vermogen van de aangesloten panelen. De panelen zullen vrijwel nooit hun maximale vermogen opwekken, daarom is een reserve marge overbodig. Bedenk hierbij dat ook de opstelling van de panelen een belangrijke invloed heeft.

Met de panelen in serie kan een string een hoge gelijkspanning bereiken. Heeft 1 paneel een Vp van 45V en heeft men 10 panelen in een string, dan moet de netinverter 450V aankunnen. Natuurlijk zijn de netinverters hierop gemaakt. Maar pas op: het lichtnet is met zijn 230V al gevaarlijk! De ingangsspanning van een netinverter kan nog veel gevaarlijker zijn!

Een nadeel van het aansluiten van meerdere zonnepanelen in één string is dat het zwakste element in de schakel de uiteindelijke productie zal bepalen. Met name wanneer er schaduw (of rommel) op 1 (of meerdere) van de panelen valt verlaagt dit de totale opbrengst. Het gebruik van panelen met bypassdiodes of het plaatsen van externe bypassdiodes kan helpen.

Het spreekt voor zich dat men probeert om de netinverter en de zonnepanelen zo bij elkaar te zoeken dat de netinverter in zijn optimale bereik kan werken. De spanning van een string moet dus zo dicht mogelijk bij de Veff (zie hoofdstuk 9.2.2) van de netinverter liggen

Wanneer men naar het rendement kijkt let dan ook op het verloop van de rendementsgrafiek. Een fabrikant adverteert natuurlijk met het hoogst mogelijke rendement. Maar indien de grafiek een uitgesproken top laat zien is het wellicht beter om een netinverter te kiezen met een lager toprendement maar een vlakkere grafiek. Het heeft natuurlijk weinig zin wanneer een netinverter 98% haalt bij 475V ingangsspanning, maar de zonnepanelen nooit hoger komen dan 300V.

Een laatste selectie punt kan zijn of de ingang en de uitgang van de netinverter al dan niet galvanisch gescheiden zijn. Wanneer er geen galvanische scheiding is dan is één van de ingangen (paneel) via de netinverter verbonden met één van de uitgangen (lichtnet). Voor de veiligheid is het aan te bevelen om in deze gevallen er op te letten dat de nul-leiding van het lichtnet een galvanische verbinding heeft en niet de fase leiding. Zou de fase leiding verbonden worden met het paneel, dan staat er altijd 230V op het paneel.

9.5 Het gebruik

Het gebruik van een netinverter is vaak probleemloos, maar er is één probleem dat vrij hardnekkig kan zijn. Dit treedt op wanneer de netinverter via een te dunne kabel aan het lichtnet verbonden wordt en/of wanneer de spanning van het lichtnet al erg hoog is.

Stel men heeft 1.800W aan panelen op het dak liggen. En de installatie is in september aangelegd. Alles werkt probleemloos tot het volgende jaar in mei. Dan slaat de netinverter ineens af om 11 uur in de ochtend. Wat is er gebeurd? Wel, de panelen hadden tot deze bewuste dag nog nooit hun maximale vermogen geleverd. Maar op deze frisse maar zeer mooie lentedag konden de panelen eindelijk hun volle vermogen opwekken. Voor het eerst liep daarbij het spanningsverlies in de kabel zo hoog op dat de afschakelspanning van de netinverter bereikt werd.

Een netinverter levert zijn energie aan het lichtnet. Dat kan alleen doordat de netinverter een hogere spanning afgeeft dan die van het lichtnet. Maar de spanning van het lichtnet mag niet te hoog worden omdat anders de aangesloten apparatuur stuk zou kunnen gaan. In Nederland is afgesproken dat de lichtnetspanning tussen de 207V en 244V moet liggen.

Netinverters begrenzen de uitgangsspanning, de maximale spanning is per fabrikant verschillend. Indien de uitgangsspanning van een netinverter boven zijn afschakelspanning komt, schakelt de netinverter zichzelf uit.

Het volgende probleem kan zich hierbij voordoen:

9_5-Spanningsverlies_over_draadweerstand

In het voorgaande figuur is de spanning aan de netinverter gelijk aan de som van het lichtnet en het spanningsverlies over de kabelweerstand. De kabelweerstand symboliseert de weerstand (zie hoofdstuk 3.3) van de kabel zelf en de stekkers.

Laten we als voorbeeld eens uitrekenen bij welk vermogen van de panelen een netinverter zichzelf uitschakelt. Daartoe moeten we een paar aannames maken:

  • De lichtnetspanning zit aan de bovenste limiet: UL is 244V.
  • De kabelweerstand (kabels en stekkers samen) tussen de netinverter en het lichtnet is 1Ω.
  • De netinverter schakelt zichzelf uit bij 250V.

Wanneer bereikt de netinverter 250V? Wel, de lichtnetspanning is 244V, als er 6V valt over de kabelweerstand dan zit de netinverter op 250V en zal zich uitschakelen.

Bij welk vermogen van de panelen valt er 6V over de kabels? De wet van Ohm zegt ons dat 6A door een weerstand van 1Ω een spanning van 6V oplevert. De netinverter (en daarmee de panelen) moeten 6A leveren om de uitschakelspanning te bereiken.

Het geleverde vermogen is dan 250V x 6A = 1.500W. Hierbij houden we even geen rekening met het verlies in de netinverter.

Het antwoord op de oorspronkelijke vraag is: wanneer de panelen meer dan 1.500W leveren zal de netinverter, in dit voorbeeld, zichzelf uitschakelen.

Dit probleem kan opgelost worden door de weerstand van stekkers en kabels te verlagen. Dus betere stekkers en vooral ook een dikkere en kortere kabel te gebruiken. Het is aan te bevelen om een koperen kabel met minimaal 6mm² te gebruiken. (Opmerking: ook de lengte en diameter van de elektrische bekabeling in huis telt mee!)

Is met een dikkere kabel het probleem nog niet opgelost, vraag dan de netbeheerder om de lokale spanning van het lichtnet te verlagen. Een netbeheerder kan de lichtnetspanning lokaal stapsgewijs aanpassen. Het spreekt voor zich dat men natuurlijk volledig zeker moet zijn dat het probleem in een te hoge lichtnetspanning zit voordat men hiertoe overgaat. Metingen zijn daartoe absoluut noodzakelijk. Zowel bij het aansluitpunt als in de meterkast.

Bij het aansluiten van netinverters moet er op gelet worden dat fase en nul correct worden aangesloten. Dit is niet bij alle netinverters belangrijk, maar wel als dit expliciet bij de netinverter wordt aangegeven, of wanneer met weet dat de netinverter niet over een galvanische scheiding beschikt. De nul mag via de netinverter doorverbonden worden met het paneel, de fase niet.

9.6 Speciaal thema: netinverter aan de omvormer

Dit is een hoofdstuk voor gevorderden. Het is nogal technisch. Men kan dit hoofdstuk gerust overslaan als men de simpele regel onthoudt: nooit een netinverter aan een omvormer aansluiten.

Het idee ligt voor de hand: we hebben een accu met omvormer en een zonnepaneel met netinverter voor teruglevering aan het lichtnet. Wat is er simpeler dan bij een lichtnetuitval de netinverter op de omvormer aan te sluiten?

Dit is een inherent onveilige methode die een hoog risico met zich meebrengt. Alleen als men volledig begrijpt wat men doet en de nodige veiligheidsmaatregelen heeft getroffen mag deze methode gebruikt worden. Daarom is deze methode voorbehouden aan mensen met een gedegen kennis van elektronica/elektrotechniek.

Er kunnen gemakkelijk problemen door ontstaan die tot defecte apparaten voeren of zelfs brand.

Als eerste is er de omvormer zelf. Een netinverter mag nooit aan een gemodificeerde sinus omvormer gekoppeld worden. Het is niet te voorspellen wat er zou gebeuren. In het beste geval werkt het gewoon niet, in het ergste geval gaan zowel netinverter, de omvormer als ook de aangesloten verbruikers stuk.

Maar ook bij een zuivere sinus omvormer ontstaan problemen.

Een netinverter zal altijd proberen het ingangsvermogen aan de uitgang op te leggen. Een netinverter die 2.000W van de panelen ontvangt zal altijd proberen 2.000W te leveren. Ook wanneer de aangesloten verbruikers dit niet op kunnen nemen. Wat er precies zou gebeuren hangt van de netinverter af. In het beste geval loopt de uitgangsspanning zeer snel op en bereikt het de afschakelspanning van de netinverter. En de netinverter schakelt zich af. Dan zakt de spanning zeer snel en zal de netinverter zichzelf na korte weer inschakelen. Waarna dezelfde cyclus zich keer op keer herhaalt. Naar de gevolgen voor de verbruikers en de omvormer kunnen we alleen maar raden, maar het zou niet onverwacht zijn als er daarbij iets stuk gaat.

Het probleem ligt bij de netinverter: deze gedraagt zich als een stroombron, niet als een spanningsbron. Een stroombron duwt zijn vermogen, ongeacht de spanning die daarbij ontstaat, op aan de verbruikers. Het lichtnet kan vrijwel oneindig veel energie verbruiken, een netinverter kan dus altijd zijn vermogen wel kwijt zonder dat dit tot een te hoog oplopende spanning voert. In een thuisnet is dat echter anders. Er is thuis maar een beperkte hoeveelheid verbruikers aangesloten. Dit limiteert het vermogen dat de netinverter mag afgeven. Maar zoals gezegd, de netinverter is juist gemaakt om alle vermogen, dat door het paneel wordt aangeboden, in het (thuis)net te forceren.

Het kan niet, maar een techneut laat zich zo gemakkelijk niet tegenhouden. Dus: hoe kunnen we dit oplossen? Hoe kunnen we er toch voor zorgen dat we de netinverter op de omvormer kunnen aansluiten?

Ik herhaal, het allerbeste antwoord hierop is: niet doen. Het is veel veiliger om een extra acculader aan te schaffen die bij uitval van het lichtnet gebruikt wordt in plaats van de netinverter. Dan wordt het vermogen uit de panelen via de accu in het thuisnet beschikbaar gemaakt. Helaas hebben een acculader en een netinverter vaak ongelijke eisen aan de ingangsspanning zodat ook deze oplossing zijn problemen heeft (zie hoofdstuk 5.7.2).

Technisch geïnteresseerden zullen vaak proberen om dit probleem toch op te lossen. Voor hen volgt nog een korte bespreking van verschillende methoden en de problemen die daarbij ontstaan. Maar er wordt geen complete oplossing besproken. Gezien de risico’s wordt dit aan de experimenteerder zelf overgelaten.

Elk van de hieronder genoemde potentiële oplossingen heeft 3 gemeenschappelijke problemen die niet afzonderlijk vermeld zullen worden:

  1. Te hoge spanning aan de uitgang van de omvormer (probleem voor de omvormer).
  2. De oplossing moet alleen werken wanneer er geen lichtnetspanning aanwezig is.
  3. De vaak sprongsgewijze verandering in de belasting (met bijbehorende sprongsgewijze veranderingen in de netspanning).

9.6.1 Uitschakelen van de netinverter gebaseerd op de netspanning

Dit is in wezen niets anders dan dat wat de netinverter zelf al doet. Normaal genomen schakelen netinverters zichzelf uit wanneer de uitgangsspanning te hoog oploopt. Het probleem van deze oplossing is er voor te zorgen dat er niet onmiddellijk weer wordt ingeschakeld wanneer de spanning terugvalt tot de 230V van de omvormer. Dit zou door middel van een tijdschakelaar kunnen maar ook dan zullen er spanningspieken optreden op het thuisnet.

9.6.2 Uitschakelen van de netinverter gebaseerd op de accuspanning

Bij deze methode wordt de netinverter uitgeschakeld wanneer de accuspanning een bepaalde waarde heeft bereikt. De netinverter wordt weer ingeschakeld wanneer de accuspanning onder een andere (lagere) waarde valt. Het idee hierachter is dat de acculader een minimum belasting van de netinverter kan garanderen. Dit is een goede methode, maar het is belangrijk om er voor te zorgen dat de acculader ook inderdaad voor voldoende belasting zorgt. En dat niet alleen als de accu leeg is. Een acculader kent vaak (minimaal) twee fasen: bulk laden en absorptie laden. Tijdens het absorptie laden neemt de stroom door de accu snel af en daarmee ook het verbruik van de acculader, mogelijk tot onder het minimumverbruik.

Deze methode wordt door Victron Energy gebruikt in de Multiplus en Quattro. Maar de instellingen daartoe zijn goed verborgen, nauwelijks besproken en vergen speciale apparatuur om in te stellen. Dit duidt er op dat ook Victron Energy vindt dat deze instellingen alleen doorgevoerd moeten worden door deskundig personeel.

9.6.3 Extra verbruikers inschakelen bij hogere netspanning

Wanneer de spanning van het thuisnet oploopt tot boven een bepaalde waarde zou een extra verbruiker kunnen worden ingeschakeld. Deze verbruiker zou dan minstens zo veel vermogen moeten opnemen als de netinverter kan leveren. Het liefst zou de belasting langzaam toe moeten nemen, proportioneel met de stijgende spanning. Problemen kunnen ontstaan wanneer we het vermogen van de extra last willen gaan verbruiken voor iets nuttigs, bijvoorbeeld een boiler. Veelal zal deze last alle extra energie kunnen opnemen, maar ook een boiler zal op een gegeven moment heet genoeg zijn en stoppen met de energieopname.

9.6.4 Het vermogen aan de ingang van de netinverter verminderen

Dit is een heel efficiënte oplossing. Helaas niet gemakkelijk te realiseren omdat het vaak een verandering in de bedrading van de panelen nodig heeft.

9.6.5 Het gebruiken van meerdere netinverters en deze sequentieel afschakelen

Dit is ook een goede methode. Met meerdere netinverters kunnen de netinverters de een na de andere afgeschakeld worden bij een stijgende netspanning. De eerste kan bijvoorbeeld bij 240V afgeschakeld worden, de volgende bij 242V, etc. Dit brengt natuurlijk hogere kosten met zich mee. Indien men voor elk paneel een micro-inverter gebruikt is deze oplossing relatief gemakkelijk. Wel is het mogelijk dat het tot “oscillaties” komt waarbij verschillende netinverters voortdurend aan- en uitgeschakeld worden.

Browser information:

This website uses CSS3 & HTML5. It is recommended to use a modern browser with at least the following version number:

  • Chrome 29.0
  • Edge 12.0
  • Explorer 11.0
  • Firefox 28.0
  • Safari 9.0
  • Opera 17.0

Problems? please contact me.